|
Lisette van de Heg (1983) schrijft al intensief sinds haar 16e en deed
mee aan verschillende verhalenwedstrijden. Haar bijdrage aan de
ND-verhalenwedstrijd van 2008 viel op en ze begon te schrijven aan Mara: een aangrijpend debuut waarin onvoorwaardelijke
liefde, zwijgen of spreken, en doorzettingsvermogen de eigenlijke
hoofdrolspelers zijn. Een verhaal dat lang geleden speelde maar ook
vandaag voldoende stof tot nadenken geeft.
Lisette van de Heg woont in Barneveld en is daar lid van de
hervormde gemeente. Ze is getrouwd en heeft een dochter en een zoon. Ze
volgde de pabo, werkte daarna als tandartsassistente, maar is momenteel
fulltime moeder – en schrijfster. ”Mara” is haar debuutroman.
„Ik heb altijd alles gelezen wat los en vast zat. Tot ik op een
gegeven moment ging denken: ik zou dat zelf ook wel willen proberen, een
verhaal schrijven. Ik ben een cursus gaan volgen bij het NTI, ben lid
geworden van een paar forums op internet –waar je kritiek kunt geven op
elkaars verhalen– en heb een paar keer meegedaan aan een
verhalenwedstrijd. Bij de spannende verhalenwedstrijd van het Nederlands
Dagblad werd mijn verhaal genomineerd, en zo ben ik uiteindelijk in
contact gekomen met uitgeverij Plateau.”
Heeft het veel tijd gekost, dit boek schrijven?
„Ik heb er ongeveer een jaar over gedaan. Maar ik liep al veel
langer met het idee rond. Elk boek, of het nu historisch is of niet,
begint met nadenken en onderzoek doen. In dit geval hebben mijn oma en
mijn schoonvader me allerlei verhalen over vroeger verteld. Verder heb
ik veel boeken gelezen en veel op internet uitgezocht. Ik heb een
plaatsje in Zeeland gekozen, foto’s uit die tijd bekeken, familienamen
uit die tijd en die streek gebruikt. Maar ik heb de plaats niet
letterlijk genoemd in het boek. Ik vind dat de historische gewoontes en
gebruiken moeten kloppen, maar ik wilde ook vrijheid hebben, me niet
beperkt voelen door te veel historische feitjes.”
Waarom een historische roman?
„Het was niet zo dat ik een historische roman wilde schrijven, ik heb
die vooroorlogse periode gekozen om het thema scherper aan te zetten.
Misbruik in allerlei vormen maakt me ontzettend kwaad, al sinds ik weet
dat het bestaat. Het is iets wat me raakt, waar ik iets mee heb. Het
verhaal speelt in het verleden omdat iemand die ongehuwd zwanger was
toen nog veel harder veroordeeld werd dan nu. Ik wilde heel scherp
neerzetten dat zo iemand er helemaal alleen voorstaat en levenslang moet
gaan leven met de schande. Om diezelfde reden heb ik van de wrede
stiefvader een dominee gemaakt. Dat zijn allemaal keuzes om het verhaal
te versterken.”
Maar tegenover de slechte dominee staat in het verhaal ook een
goede dominee.
„Het is heel makkelijk om een negatief beeld van de kerk en van
predikanten neer te zetten. Dat heb ik zeker niet gewild. Misbruik komt
in allerlei kringen en onder alle gezindtes voor, dus een dominee is
daar niet te goed voor. Juist op die manier kun je extra duidelijk laten
zien hoe het godsvertrouwen bij een slachtoffer kapotgemaakt kan
worden. Je hebt geen liefhebbende vader, wat heb je dan aan God als
Vader? Maar tegenover de stiefvader staat in dit verhaal de jonge
dominee uit het dorp, die juist heel begrijpend en niet veroordelend
reageert. Dat moet de hoofdpersoon leren, dat niet alle mensen zo zijn
als haar stiefvader. Niet dat ze een grote bekering meemaakt, zo ver is
ze nog niet aan het eind van het verhaal, maar ze leert toch om
voorzichtig weer een paar mensen te vertrouwen.”
Waarom die volgorde, eerst mensen vertrouwen en daarna pas God?
„Ik denk dat het in de praktijk vaak zo werkt: dat je eerst het
vertrouwen in je medemens moet terugvinden, voordat je God weer durft
vertrouwen. Ik houd er niet van als een verhaal heel makkelijk afloopt,
als alle problemen ineens opgelost zijn: de hoofdpersonen vallen elkaar
in de armen en alles is goed. De dader vernietigt niet alleen de jeugd
van de hoofdpersoon, maar ook haar toekomst. Wat ik wilde, is een weg
voor haar openleggen, uitzicht bieden, laten zien dat ze ergens naartoe
kan.”
In hoeverre speelt het christelijke geloof een rol bij de
ontwikkeling van de hoofdpersoon?
„Ik vind het belangrijk om iets van mijn christen-zijn in dit boek te
leggen. Maar ik wilde niet gaan preken, want dan ben je als schrijver
alleen maar je ideaalplaatje aan het neerleggen. Daarom valt er in dit
verhaal nergens letterlijk te lezen: met God kom je er wel. In plaats
daarvan is er een tante Bé in het verhaal, die iets laat zien van het
echte christendom. De rol van een christen is niet alleen preken, maar
vooral: er zijn, en naar iemand luisteren. Juist daardoor komt de
hoofdpersoon langzaam tot de ontdekking dat de God van de dominee een
andere is dan de God van tante Bé. Dat biedt perspectief.” (Bron: Vuurbaak, Enny de Bruijn (Reformatorisch Dagblad) 16/9/2009.
|